Wat Ezechiel zag toen God zich aan hem liet zien...

Op de vijfde dag van de vierde maand van het dertigste jaar
zag ik, Ezechiël de priester, de zoon van Buzi,
de hemel opengaan en kreeg ik een visioen van God.
Dat was vijf jaar nadat koning Jojakin was weggevoerd in ballingschap.
Ik was toen bij de ballingen aan de rivier de Kebar in Babylonië.
Ik werd door zijn macht overweldigd.

Dit zag ik: er stak een storm op uit het noorden;
uit een zware wolk, omgeven door een lichtgloed, schoten felle bliksemstralen.
In de wolk was vuur dat leek op blinkend metaal.
In het midden kon ik vier levende wezens onderscheiden.
Zij zagen eruit als mensen, maar ieder van hen had vier gezichten en vier vleugels.
Hun benen waren recht; hun voeten leken op de hoeven van een kalf
en glansden als gepolijst brons. Ze waren met hun gezichten
en hun vleugels naar vier zijden gericht. Onder elke vleugel
was een mensenhand zichtbaar. Wanneer ze zich voortbewogen,
in welke richting dan ook, gingen ze recht vooruit
zonder hun lichaam te draaien. (...)

Zij zagen eruit als mensen,
maar ieder van hen
had vier gezichten en vier vleugels

Tussen hen in was iets dat leek op gloeiende kolen,
op fakkels die heen en weer schoten. Het vuur verspreidde een felle gloed
en er schoten blliksems uit. Ook de wezens zelf flitsten
als bliksemstralen heen en weer.

Terwijl ik naar hen keek, zag ik op de grond naast elk levend wezen een wiel.
De vier wielen schitterden als turkoois. Ze waren gelijk van vorm
en waren zo gebouwd dat het leek of ze in elkaar grepen.
Ze bewogen zich in vier richtingen zonder zich te keren.
De wielen waren ontzagwekkend hoog; de velgen waren geheel bedekt met ogen.
Als de wezens bewogen, bewogen de wielen naast hen ook;
als ze stilstonden, stonden de wielen ook stil;
als ze zich losmaakten van de grond, deden de wielen dat ook.
De kracht die in de wezens was, beheerste ook de wielen.

De wielen waren ontzagwekkend hoog;
de velgen waren geheel bedekt met ogen

Boven hun hoofd was een soort koepel met de verblindende glinstering
van ijskristal. Daar, onder de koepel, stonden ze; twee van hun vleugels
naar elkaar toegewend, met de beide anderen bedekten ze hun lichaam.
Als ze zich bewogen, hoorde ik het slaan van hun vleugels;
dat klonk als het gebulder van de zee, als het dreunen van een grote legermacht,
als de stem van de machtige God.
Stonden ze stil, dan vouwden ze hun vleugels weer.

Er klonk een stem boven de koepel.
Daar zag ik iets dat leek op een troon, fonkelend als saffier.
Op de troon zat een gedaante met het uiterlijk van een mens.
Het bovenlichaam was als blinkend metaal,
als vuur door een doorschijnend omhulsel omsloten;
het onderlichaam was als vuur, omgeven door een felle gloed,
een gloed als van de regenboog tegen de wolken.
Zo verscheen de Heer in al zijn majesteit.

Op de troon zat een gedaante
met het uiterlijk van een mens

Toen ik dit zag, viel ik voorover op de grond.
Ik hoorde een stem zeggen: 'Mensenkind, sta op! Ik wil tot je spreken.'
Bij die woorden kreeg ik kracht en kon ik weer rechtop staan.

Ezechiël, het eerste hoofdstuk.

TERUG | HOME | CONTACT